(Fictional postscript: six months later, somewhere in Dutch gebiedsontwikkeling…)
“Hey halllooo, ja met Karlijn van Existentia, van gebiedsontwikkelingsproject Buiteneiland. Hoe is het met jullie. Was supergezellig, lasertag laatst.
Hé, laat ik met de deur in huis vallen. Onze stakeholders willen de concepting teruggeven. Ik weet dat het laat dag is, maar we willen speelsere voorstellen zien. En we willen OV, meer servicing, meer third spaces. We willen weg van de Houthavens-formule en diametraal niet, hahahaha, de vampierformule.”
Stilte aan de andere kant.
“De wat?”
“De vampierformule.”
“Is dat inmiddels een vakterm?”
“Nou, informeel.”
“Karlijn, wat bedoel je precies?”
“Je hebt die pagina toch gezien.”
“Welke pagina?”
“Klootzak.”
“Ja.”
“Dus.”
Een zucht.
“Goed. Wat willen jullie dan anders?”
“Nou. Om te beginnen willen we dat mensen op straat daadwerkelijk ergens naartoe kunnen zonder dat het uitsluitend woning, woning, woning, fietsenstalling, pakketautomaat, woning is.”
“Dat heet plintprogrammering.”
“Ja, maar dan met dingen erin.”
“…dingen.”
“Dingen waar mensen vrijwillig blijven.”
“Zoals horeca?”
“Niet alleen horeca. Als ik nog één render zie met drie tafeltjes, een parasol en een fictieve koffiezaak waar vervolgens twintig jaar lang een makelaarsbord hangt, spring ik in het IJ.”
“Duidelijk.”
“We willen bibliotheekachtig. Werkplekken. Reparatie. Kleine sport. Muziek. Buurtkamers. Nachtfunctie. Iets voor mensen die niet negen euro willen betalen om negentig minuten ergens te mogen zitten.”
“Dat heeft wel exploitatierisico.”
“Ja. Mensen hebben exploitatierisico.”
Stilte.
“Verder?”
“OV vóór woningen.”
“Dat wordt lastig.”
“OV. Vóór. Woningen.”
“We kunnen mobiliteit gefaseerd…”
“Nee. Geen achtduizend mensen neerzetten en dan vijf jaar later ontdekken dat ze allemaal tegelijk om 07:12 dezelfde bus nodig hebben.”
“Daar kunnen we met mobiliteitshubs…”
“Kees.”
“Ja.”
“Geen hub.”
“Oké.”
“Geen mobiliteitshub. Geen community hub. Geen living lab. Geen urban connector. Geen ‘maker space’ met één 3D-printer achter glas.”
“…”
“Een tram.”
“Dat is een andere orde van investering.”
“Ja.”
“Karlijn, je klinkt geïrriteerd.”
“Ik heb vanochtend vier keer ‘sociale cohesie’ gelezen in presentaties waarin geen enkele ruimte stond waar je langer dan zes minuten kon verblijven zonder ergens klant van te zijn.”
“Pijnlijk specifiek.”
“Dat is mijn nieuwe criterium.”
“Wat?”
“De zesminutentest.”
“Dat bestaat niet.”
“Nu wel.”
Aan de andere kant hoor je typen.
“Definieer.”
“Zet een werkloze vrouw van 58, een scholier van 16, een pakketbezorger met pauze en een man die net gescheiden is midden in het plan. Geef niemand geld. Waar kunnen ze zes minuten zitten zonder dat iemand vraagt wat ze daar doen?”
Stilte.
“Dat is eigenlijk…”
“JA.”
“Ja.”
“En dan nog iets. Die gebouwen.”
“Wat is ermee?”
“Niet allemaal elf verdiepingen beige baksteen met een accentblok van zeventien verdiepingen beige baksteen.”
“Dat is nogal karikaturaal.”
“Dat was vorige week jullie voorstel.”
“…warme aardetinten.”
“Kees.”
“Ja.”
“Als ik ‘warme aardetinten’ nog één keer lees, stuur ik je die afbeelding met het massagraf.”
“Begrepen.”
“En niet alles parametrisch optimaliseren tot het dezelfde veilige middelmaat wordt.”
“Maar daglicht, wind, energie…”
“Optimaliseer gerust. Maar laat daarna ook iemand met een ziel naar het ding kijken.”
“Dat komt niet in de tendercriteria.”
“Dan zet je het onder overige.”
“Karlijn.”
“Wat?”
“Ik begin te begrijpen waarom jullie vorige adviseur is gestopt.”
“Hij is niet gestopt. Hij is nu stakeholder.”
“Dat verklaart veel.”
Ze lachen allebei nét iets te lang.
Dan wordt Karlijn weer serieus.
“Luister. Het probleem is niet dichtheid. We willen dichtheid. Heel veel zelfs. Het probleem is dat we geen opslagmedium voor mensen willen bouwen.”
“Die formulering gaat absoluut niet in het verslag.”
“Prima. Schrijf ‘verblijfskwaliteit’.”
“Dat kan.”
“En ik wil op straat om half elf ’s avonds nog ergens licht zien dat geen portiek, kantoor of beveiligingscamera is.”
“Programmering avonduren.”
“Ja.”
“En qua architectuur?”
“Verschil. Onregelmatigheid. Kleine eigenaardigheden. Dingen die niet door een assetmanager zijn gladgestreken omdat ze over dertig jaar misschien twaalfduizend euro onderhoud kosten.”
“Dat wordt een gesprek met beheer.”
“Mooi. Dan hebben ze eindelijk iets te doen voordat alles gebouwd is.”
“Karlijn?”
“Ja?”
“Wat is precies ‘diametraal niet de vampierformule’ in één zin?”
Ze denkt even na.
Dan:
“Ontwerp een wijk waarin het opvalt als iemand verdwijnt.”
Aan de andere kant wordt niet meer gelachen.
“Ja,” zegt Kees uiteindelijk.
“Die.”
“Die zet ik wel in het verslag.”
“Dank je.”
“Onder welke kop?”
“Sociale veiligheid.”
“Tuurlijk.”
“En Kees?”
“Ja?”
“Geen vampieren in de render.”
“Dat was ik niet van plan.”
“Mooi. Tot donderdag.”
“Tot donderdag.”
Klik.
Een minuut later verschijnt in het projectdossier:
ONTWERPPRINCIPE 4.3: SOCIALE HERKENBAARHEID EN INFORMELE WEDERKERIGHEID
Niemand vermeldt waar het vandaan kwam.
(Fictional postscript: six months later, somewhere in Dutch gebiedsontwikkeling…)
“Hey halllooo, ja met Karlijn van Existentia, van gebiedsontwikkelingsproject Buiteneiland. Hoe is het met jullie. Was supergezellig, lasertag laatst.
Hé, laat ik met de deur in huis vallen. Onze stakeholders willen de concepting teruggeven. Ik weet dat het laat dag is, maar we willen speelsere voorstellen zien. En we willen OV, meer servicing, meer third spaces. We willen weg van de Houthavens-formule en diametraal niet, hahahaha, de vampierformule.”
Stilte aan de andere kant.
“De wat?”
“De vampierformule.”
“Is dat inmiddels een vakterm?”
“Nou, informeel.”
“Karlijn, wat bedoel je precies?”
“Je hebt die pagina toch gezien.”
“Welke pagina?”
“Klootzak.”
“Ja.”
“Dus.”
Een zucht.
“Goed. Wat willen jullie dan anders?”
“Nou. Om te beginnen willen we dat mensen op straat daadwerkelijk ergens naartoe kunnen zonder dat het uitsluitend woning, woning, woning, fietsenstalling, pakketautomaat, woning is.”
“Dat heet plintprogrammering.”
“Ja, maar dan met dingen erin.”
“…dingen.”
“Dingen waar mensen vrijwillig blijven.”
“Zoals horeca?”
“Niet alleen horeca. Als ik nog één render zie met drie tafeltjes, een parasol en een fictieve koffiezaak waar vervolgens twintig jaar lang een makelaarsbord hangt, spring ik in het IJ.”
“Duidelijk.”
“We willen bibliotheekachtig. Werkplekken. Reparatie. Kleine sport. Muziek. Buurtkamers. Nachtfunctie. Iets voor mensen die niet negen euro willen betalen om negentig minuten ergens te mogen zitten.”
“Dat heeft wel exploitatierisico.”
“Ja. Mensen hebben exploitatierisico.”
Stilte.
“Verder?”
“OV vóór woningen.”
“Dat wordt lastig.”
“OV. Vóór. Woningen.”
“We kunnen mobiliteit gefaseerd…”
“Nee. Geen achtduizend mensen neerzetten en dan vijf jaar later ontdekken dat ze allemaal tegelijk om 07:12 dezelfde bus nodig hebben.”
“Daar kunnen we met mobiliteitshubs…”
“Kees.”
“Ja.”
“Geen hub.”
“Oké.”
“Geen mobiliteitshub. Geen community hub. Geen living lab. Geen urban connector. Geen ‘maker space’ met één 3D-printer achter glas.”
“…”
“Een tram.”
“Dat is een andere orde van investering.”
“Ja.”
“Karlijn, je klinkt geïrriteerd.”
“Ik heb vanochtend vier keer ‘sociale cohesie’ gelezen in presentaties waarin geen enkele ruimte stond waar je langer dan zes minuten kon verblijven zonder ergens klant van te zijn.”
“Pijnlijk specifiek.”
“Dat is mijn nieuwe criterium.”
“Wat?”
“De zesminutentest.”
“Dat bestaat niet.”
“Nu wel.”
Aan de andere kant hoor je typen.
“Definieer.”
“Zet een werkloze vrouw van 58, een scholier van 16, een pakketbezorger met pauze en een man die net gescheiden is midden in het plan. Geef niemand geld. Waar kunnen ze zes minuten zitten zonder dat iemand vraagt wat ze daar doen?”
Stilte.
“Dat is eigenlijk…”
“JA.”
“Ja.”
“En dan nog iets. Die gebouwen.”
“Wat is ermee?”
“Niet allemaal elf verdiepingen beige baksteen met een accentblok van zeventien verdiepingen beige baksteen.”
“Dat is nogal karikaturaal.”
“Dat was vorige week jullie voorstel.”
“…warme aardetinten.”
“Kees.”
“Ja.”
“Als ik ‘warme aardetinten’ nog één keer lees, stuur ik je die afbeelding met het massagraf.”
“Begrepen.”
“En niet alles parametrisch optimaliseren tot het dezelfde veilige middelmaat wordt.”
“Maar daglicht, wind, energie…”
“Optimaliseer gerust. Maar laat daarna ook iemand met een ziel naar het ding kijken.”
“Dat komt niet in de tendercriteria.”
“Dan zet je het onder overige.”
“Karlijn.”
“Wat?”
“Ik begin te begrijpen waarom jullie vorige adviseur is gestopt.”
“Hij is niet gestopt. Hij is nu stakeholder.”
“Dat verklaart veel.”
Ze lachen allebei nét iets te lang.
Dan wordt Karlijn weer serieus.
“Luister. Het probleem is niet dichtheid. We willen dichtheid. Heel veel zelfs. Het probleem is dat we geen opslagmedium voor mensen willen bouwen.”
“Die formulering gaat absoluut niet in het verslag.”
“Prima. Schrijf ‘verblijfskwaliteit’.”
“Dat kan.”
“En ik wil op straat om half elf ’s avonds nog ergens licht zien dat geen portiek, kantoor of beveiligingscamera is.”
“Programmering avonduren.”
“Ja.”
“En qua architectuur?”
“Verschil. Onregelmatigheid. Kleine eigenaardigheden. Dingen die niet door een assetmanager zijn gladgestreken omdat ze over dertig jaar misschien twaalfduizend euro onderhoud kosten.”
“Dat wordt een gesprek met beheer.”
“Mooi. Dan hebben ze eindelijk iets te doen voordat alles gebouwd is.”
“Karlijn?”
“Ja?”
“Wat is precies ‘diametraal niet de vampierformule’ in één zin?”
Ze denkt even na.
Dan:
“Ontwerp een wijk waarin het opvalt als iemand verdwijnt.”
Aan de andere kant wordt niet meer gelachen.
“Ja,” zegt Kees uiteindelijk.
“Die.”
“Die zet ik wel in het verslag.”
“Dank je.”
“Onder welke kop?”
“Sociale veiligheid.”
“Tuurlijk.”
“En Kees?”
“Ja?”
“Geen vampieren in de render.”
“Dat was ik niet van plan.”
“Mooi. Tot donderdag.”
“Tot donderdag.”
Klik.
Een minuut later verschijnt in het projectdossier:
ONTWERPPRINCIPE 4.3: SOCIALE HERKENBAARHEID EN INFORMELE WEDERKERIGHEID
Niemand vermeldt waar het vandaan kwam.